| 18 december 2011 - Ds J. Ridderbos |
|
|
In de twee schriftlezingen komen twee soorten vrouwen aan het woord:
Het gaat om vrouwen van zeer lang geleden. De ene vrouw, Maria, 2.000 jaar geleden. En de andere, Hanna, ja zeg het maar, 3.000 jaar geleden. Het vreemde is dat er werelden van verschil zijn tussen de wereld van toen en de wereld van nu. Maar sommige dingen veranderen nooit. Ook in onze tijd raken meiden te vroeg zwanger. Ook in onze tijd krijgen oudere vrouwen, na veel moeiten, toch een kind. Zelfs voor mij als man is het duidelijk dat een derde soort van vrouwen is. Beide vrouwen worden zwanger. Maar hun zuster, hun soortgenoot, kent dat geluk niet. In de loop van een lang domineesbestaan heb ik geleerd dat voor een groep in de gemeente Kerstfeest en de bediening van een doop moeilijke momenten zijn. Want hen overkomt niet wat anderen wel overkomt: zijzelf worden niet zwanger, en hun echtgenoten worden dus niet vader, laat staan grootvader. Het lijkt me goed dat wij vanmorgen als kerk uitspreken dat wij weet hebben van het verdriet van deze groep gemeenteleden. In het Kerstevangelie gaat het over een engel. Wij als volwassenen weten: Sinterklaas bestaat niet. En wij als christenen van onze tijd menen even zeker te weten: engelen bestaan niet. Heeft u ooit zo´n figuur gezien, met een witte lange jurk, en met vleugels? Nee toch. Nou, dan is het duidelijk dat er dus geen engelen zijn. Exit Sinterklaas, exit engelen. Het aardige van de Griekse Bijbel is dat deze veel neutraler spreekt dan onze Nederlandse vertaling. Er staat niet meer dan dat in de zesde maand (van de zwangerschap van Elisabeth) door God een `angelos´naar een stad in Galilea werd gezonden. En als u dat woord `angelos`opzoekt in een Grieks woordenboek, dan leest u dat dit Griekse woord betekent: boodschapper, gezant. Niet meer en niet minder. De echte vraag moet dus luiden: bestaan er in onze tijd mensen die zichzelf beschouwen als gezanten, als gezondenen namens God? Het mooie van het Bijbelverhaal is, dat de gezant in kwestie een naam heeft, een mooie naam: Gabriël. Het Jiddisch kent het woord gabber, een intieme vriend. De persoon in kwestie is een gabber, een intieme vriend van El, en dat is God. Bestaan in onze tijd nog mensen die zichzelf beschouwen als een intieme vriend van God. Zijn er in onze tijd nog mensen die weet hebben van de vertrouwelijke omgang met God? De vraag: Bestaan engelen, is een gemakkelijke, al te gemakkelijke vraag. Maar de vraag: Beschouwt u zichzelf als boodschapper van God, kent u de vertrouwelijke omgang met God, is een wat minder gemakkelijke vraag. Want nu komen we zelf in het spel. Laten we goed beseffen dat de kerk ontstaan is dankzij mensen die wisten dat zij angeloi waren. Zij noemden zich zelfs eu-angeloi, evangelisten, brengers van een goede tijding. Wil de kerk in onze dagen bestaansrecht hebben, dan zullen er opnieuw mensen moeten zijn dat zich geroepen weten in hun dagen euangelist. Evangelist, brenger en brengster van een goede boodschap te zijn. Ons gedeelte van het Kerstevangelie eindigt met de uitspraak van Maria: Zie de dienstmaagd van de Heer. Mij geschiede naar uw woord (Lucas 1:38). Misschien is dat wel het moeilijkste punt van het gehele Kerstevangelie. Het Kerstevangelie vraagt blijkbaar om overgave. Om je te schikken naar de wil van een ander. Als er iets is, dat niet in onze tijd past, dan is het wel dit. Het is niet voor niets dat we vier Adventszondagen houden. We hebben die tijd nodig om opnieuw overgave te leren. De Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer schreef natuurlijk niet voor niets zijn boek Verzet en overgave. Je verzetten is niemand vreemd; je kunnen overgeven is iets dat we in de loop van een hopelijk lang mensenleven moeten en mogen leren.
|