Home PKN Jacobuskerk Preken 22 januari 2012 (Markus 1: 14-20 1 Cor. 8) - Ds Hans Katerberg
22 januari 2012 (Markus 1: 14-20 1 Cor. 8) - Ds Hans Katerberg Afdrukken

Lieve mensen van God,

Met lieden die verklaren rechtstreeks door God te zijn geroepen en zich beroepen op een stem, een visioen uit de hemel, moet je uitkijken. Vaak zijn dat charismatische, bevlogen mensen met aantrekkingskracht, vooral op diegenen die wat minder sterk in hun schoenen staan. En voordat je het weet ben je in de ban van hun denkbeelden, doe je precies wat ze zeggen en ben je dus je vrijheid kwijt. Er zijn voorbeelden te over van sekten met zo’n sterke leider, die het voor elkaar krijgt dat mensen alles wat ze hebben verkopen om vervolgens met hem te wachten op het einde der tijden. De afgelopen week berichtte mijn krant weer eens over het Efraïmgenootschap dat inmiddels ergens in Israël wacht op een collectieve hemelvaart. Kapotte mensen, verscheurde gezinnen, de waanzin ten top. Het is natuurlijk ook best verleidelijk. Stel je eens voor dat het wáár is. Dat zou toch kunnen? denken mensen. Dat gebeurt in de bijbel toch ook, dat God of dat Jezus mensen roept, waarop ze meteen alles in de steek laten? Waarom zou dat in onze tijd dan niet meer gebeuren?

Maar ook nog helemaal afgezien van sekten en hun leiders, toch hebben wij het niet zo op het begrip roeping, roeping door God. Het doet hoe dan ook denken aan zelfverloochening en ascese, aan je zelf helemaal wegcijferen voor God en voor anderen en daarbij: een God die door jou heen werkt- blijft er nog iets van jezelf over? Bovendien zijn ze vaak onaantastbaar en ook onuitstaanbaar, mensen die van zichzelf zo goed weten dat ze geroepen zijn. Toch wordt straks aan onze nieuwe ambtsdragers ook de vraag gesteld of zij zich door God zelf geroepen weten voor hun nieuwe taak! Ja, ja, dat is niet niks, toch? Dat vinden ze zelf ook, elk jaar weer en elk jaar weer leg ik uit dat ze daar niet te zwaar aan moeten tillen, maar dat het ook net niet helemaal zonder kan, zonder je geroepen te weten. O zeker, voor een deel is het gewoon een kwestie van je steentje bijdragen, net zo goed als vele anderen hun steentje bijdragen aan het kerkenwerk. En dat doe je dan met de mogelijkheden en talenten die jij hebt gekregen. En toch is het net iets meer dan dat alleen: ambtsdrager zijn, maar ook kerklid zijn, christen zijn in een wereld die naar mijn gevoel soms alleen maar blind doordraaft, als een op hol geslagen paard. Daarom kan het wellicht geen kwaad eens te kijken naar dat verhaal waarin Jezus zijn leerlingen roept om achter hem aan te komen. Want waar gaat het nu in de kern van de zaak om?

Markus doet het natuurlijk voorkomen alsof die vissers geen seconde hoeven na te denken als Jezus hen roept. Hij, Markus, is het erom begonnen het verhaal van Jezus te vertellen als van de gekomen Messias van God. En het maakt natuurlijk niet een heel sterke indruk als hij zou zeggen dat het Jezus moeite had gekost om leerlingen te maken. Nee, die laten uiteraard terstond alles in de steek en volgen hun Meester. Alsof ze erop gewacht hadden, alsof het zo moest zijn. Dat vader Zebedeüs en al die andere familieleden nu een probleem hadden, ach, dat was allemaal ondergeschikt voor Markus die Jezus groot wil maken. Ik zou denken dat het in werkelijkheid best wat meer tijd gekost heeft en dat Markus dit roepingsverhaal met opzet zo heeft gestileerd. Maar misschien deed hij dat ook nog om een andere reden. Misschien ook omdat Markus weet, net als de andere evangelisten, dat het Jezus steeds weer lukt, hier, maar ook in zijn latere werk, om in mensen een totaal andere, diepere laag aan te spreken. Dat Hij heel snel en met grote kracht dwars door bergen van zorgen en vastliggende levenspaden heen breekt. Naar die diepere laag toe. O, ze zullen vast niet bijzonder ongelukkig zijn geweest, die vissers. Ze zijn niet rijk, maar ook niet straatarm en gaan op in de tred van de dagelijkse beslommeringen. Kalm en geroutineerd. Business as usual. Zoals wij dat ook kennen: het dagelijkse, haastige ritme van een betaalde baan of van een opleiding of het veel rustiger ritme van het pensioen en niks moeten. Het gaat zoals het gaat en het komt zoals het komt. Dat laat je niet zomaar los om achter een wildvreemde man aan te gaan. Zeker niet als je niet alleen je dagelijks ritme, maar ook je familie, je afkomst, je wortels, ja heel je identiteit los moet laten. Dan moet er iets zijn in de stem van die man dat een diepere laag in je aanraakt. Dat iets in je wakker roept, waarvan je misschien niet eens wist dat het er was. Een diepere laag die van alles te maken heeft met heimwee en verlangen. Met heimwee naar het paradijs en verlangen naar heelheid en eenheid en echtheid. Met eindelijk tot je bestemming komen als mens, los van de gebaande paden. Met het helemaal anders gaan doen in het leven en helemaal vrij zijn.

De Deense filosoof Kierkegaard vertelt het volgende verhaal: Op het erf van een boer lopen tamme ganzen wat rond te scharrelen. Ze worden elke dag gevoerd en hebben een plek om te schuilen, veel zorgen kennen ze dus niet. Het leven is best vol te houden, zolang ze tenminste niet hoeven denken aan het naderende kerstdiner van de boer. Dan vliegt op een dag door de hoge lucht een vlucht wilde ganzen over. Er ontstaat grote onrust onder de tamme ganzen. Plotseling wordt iets in hen wakker, wat daar lang verborgen is gebleven: een sterk verlangen om mee te gaan met die ganzen daarboven. Een groot heimwee naar de verten waarnaar die ganzen op weg zijn. Diep van binnen voelen zij: zo zijn wij eigenlijk ook. Dat willen wij ook! Hun gegak zwelt aan. Ze beginnen met hun vlerken te klapperen, maar ze komen niet van de grond: ze zijn al te lang tam. Ze doen er maar beter aan zich neer te leggen bij het leven op het erf. Zo slecht is dat nu ook weer niet……. Ja, soms- door een stem, een lied hoog in de lucht, de stilte van het kale veld, soms weten we plotseling weer wie we zijn, diep van binnen en hoe moeilijk, ja bijna onmogelijk het is om dat te worden, vrije mensen.  

De tijd van wachten op die vlucht wilde ganzen, was bij de vier vissers kennelijk zo rijp en Jezus’ stem reikte zo diep, dat hij niets meer hoefde zeggen dan: Ga mee. En ze gingen mee. Ze verlieten het veilige erf van de boer, zonder te weten of ze misschien niet uit de lucht zouden vallen, áls je zo hoog vliegt…. Maar ze gáán. Hun allerdiepste verlangen achterna. Later zegt Jezus: als je dat doet, als je die stem, verstomd geraakt onder de verpletterende druk van het alledaagse, als je die stem toelaat, als je dat zoekt waarnaar je van Godswege diep in je hart verlangt, dan komt al het andere wel. Dan vind je meer dan de geborgenheid van thuis. Er is in die nieuwe vrijheid een nieuwe nabijheid in je leven gekomen, de nabijheid van God. En dat maakt al het andere van ondergeschikt belang.

In dit roepingsverhaal van de leerlingen wordt duidelijk wat Jezus komt doen. Mensen bevrijden uit het net van hun zorgen en alledaagsheid. Mensen, vastgekleefd aan hun geschiedenis, aan hun geld, hun belangen, hun posities, vastgeprikt op hun daden, hun mislukkingen, hun fouten- mensen wakker roepen, hun verborgen verlangen aanraken en ze meenemen. Om met hem op zoek te gaan naar een beter land. Hij doet dat samen met anderen. Maakt die eerst vrij en vervolgens maakt hij ze óók tot vissers van mensen, om anderen weer vrij te maken. Om anderen te helpen hun bestemming te vinden. Hij heeft daarbij dus geen theologen nodig en geen wijsgeren. Al teveel kennis kan je zelfs behoorlijk in de weg zitten voor dit werk.

Dat weet ook Paulus. In dat vreemde verhaal over offervlees in zijn brief gaat hij in op een probleem dat in de gemeente van Corinthe heerst. Er werd daar in de stad op grote schaal aan heidense goden vlees geofferd en dat vlees werd vervolgens door de mensen opgegeten. Nu waren er ook onder de christenen die gerust dat vlees aten, ook al was dat dus gewijd aan heidense goden, want, weten ze: hoe gewijd het ook is, het is en blijft gewoon vlees. Voor ons heeft het niet meer die lading van een offer, wij geloven dat niet meer. Anderen kunnen dat vlees niet los zien van zijn oorspronkelijke doel, alsof het veranderd is door de wijding van het offer en durven het niet te eten. Je zou eens zondigen, stel je voor. Ja kijk, zegt Paulus tegen diegenen die uit de hoogte van hun vrijzinnige denken neerkijken op deze medegelovigen: wat je eet is niet belangrijk, je kunt het gerust eten, maar laat het staan als je weet dat je er andere gelovigen mee kwetst, omdat die nog niet zover zijn. Ongeveer hetzelfde probleem, maar dan iets anders, dat de ouderen nog wel kennen van de zondagsheiliging: je hield je, ook al vond je dat het best kon, je hield je aan bepaalde regels van de zondagsrust, omdat die heilig waren voor sommige andere gelovigen. Je respecteerde dat. Alleen dát is nodig, weet Paulus, als je christen bent: liefde voor anderen. Liefde die ruimte geeft, die geen aanstoot geeft, die niet neerkijkt op anderen. Dachten wij vroeger dat je als ambtsdrager, zeker als ouderling, toch wel heel wat moest weten, van de bijbel en van de leer van de kerk, dat je in zekere zin boven de mensen moest kunnen staan, nu blijkt juist dat allemaal van ondergeschikt belang. Het gaat toch echt om heel wat anders. Om liefde voor mensen. Nu zijn wij allen ambtsdragers. Want allen zijn wij geroepen door Christus. Jezus noemt ons kinderen van het Licht, kinderen van God. Er zit veel meer in ons dan het zich berustend neerleggen bij het bestaande. Dat méér sluimert in iedere mens: heimwee en verlangen, dat er op wacht om wakker geroepen te worden. Om op te staan uit de beknelling van het alledaagse. Om eindelijk hoog te gaan leven, op zoek naar oeroude tuinen. Mensen die geroepen worden tot een meer bijzondere taak, tot ouderling of diaken, zoals dat bij ons heet, gaan natuurlijk allerlei klussen doen die nodig zijn in een organisatie als de kerk is. Maar ze stáán ook ergens voor: voor het verhaal van Jezus, die in mensen die diepere laag van verlangen aanboort. En in hun contact met mensen zijn ook zij bedacht op die diepere laag. En zich ervan bewust dat mensen méér zijn, altijd meer dan wat je ziet. Dat is een hoge roeping, maar hij wordt in zwakheid volbracht. Daarom lees ik u tenslotte een gedicht van Christa Peikert-Flaspöhler over

Roeping.

Je kunt de eerste toon zijn van een lied

waardoor alle grenzen vergeten worden

wees niet bang (2x)

ook wanneer de toon amper klinkt

wees niet bang.

Je kunt de eerste vonk zijn voor een vuur

dat alle wapens tot ploegen omsmelt

wees niet bang (2x)

ook wanneer de tegenwind je striemt

wees niet bang.

Je kunt de eerste graankorrel zijn op een akker

die alle handen vullen zal met brood

wees niet bang (2x)

ook wanneer het land vol stenen zit

wees niet bang.

Je kunt de eerste druppel zijn voor een bron

die in de woestijn levensliederen zingt

wees niet bang (2x)

ook wanneer de wolk nog zwijgt

wees niet bang.

Je kunt de eerste pas zijn voor een dans

die alle voeten leidt naar onze God

wees niet bang (2x)

ook wanneer je voet nog struikelt

wees niet bang.

 

Moge het zo zijn